PERSBERICHT: Petitie tegen bursalenstelsel groot succes

De petitie tegen het bursalenstelsel, die in oktober begonnen is door de Actiegroep Promotiestudent, heeft in anderhalve maand tweeduizend handtekeningen verzameld. De initiatiefnemers spreken van een groot succes.

“De reacties die onze ondertekenaars achterlaten liegen er niet om” stelt Linda Bleijenberg, een van de initiatiefnemers van de petitie. “Men is het erover eens dat dit een zware slag voor de wetenschap in Nederland zou betekenen. Promovendi worden hier voor vol aangezien, en dat trekt talent van over de hele wereld aan. Waarom zou je dat veranderen?”

De actiegroep heeft aangekondigd de actie voort te zetten tot het moment dat de plannen in de Tweede Kamer voorkomen. Zoals het er nu uit ziet zal dat in januari 2014 zijn. Ook het landelijk promovendi platform PNN liet zich kritisch uit over het experiment.

Promovendi protesteren al langer tegen de plannen om een bursalenstelsel in te voeren. Dit is een systeem waarbij promovendi als studenten behandeld worden, en geen recht meer hebben op een salaris en secundaire arbeidsvoorwaarden. Patrick Tuijp, voorzitter van het PNN, stelde onlangs in een gesprek met Rutger Bregman van De Correspondent: ‘De gedachte is steeds: mensen die hart hebben voor de wetenschap zijn niet geïnteresseerd in arbeidsvoorwaarden.’

actiegroep promotiestudent is te bereiken op promotiestudent@yahoo.com

Stop het ‘Experiment promotiestudent’, teken de petitie!

Wat is er aan de hand?

De minister van onderwijs wil de arbeidsvoorwaarden van promovendi op de schop nemen. Het plan is om een Algemene Maatregel van Bestuur door te voeren,  zodat universiteiten promovendi kunnen aanstellen die geen werknemer zijn. Zij hebben bijvoorbeeld geen recht op pensioen of bescherming onder de CAO. Deze promovendi zullen leven van alleen een beurs.

lab-rats1

Waarom is dit slecht?

Nederlandse universiteiten maken deel uit van de academische wereldtop. Nederland is ook een van de weinige landen waar promovendi werknemers zijn van de universiteit. Onderzoek is een kerntaak van de universiteit, en een groot deel van het Nederlandse onderzoek wordt uitgevoerd door promovendi. Daarmee dragen promovendi, anders dan studenten, bij aan de primaire activiteiten van de universiteit: zij delen in de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van deze kerntaak, en worden als zodanig vergoed. Deze arbeidsrelatie ligt aan de kern van het succes van de Nederlandse academie.

Bij gevolg behoren Nederlandse promovendi wetenschappelijk gezien tot de meest productieve, en Nederlandse universiteiten trekken talent aan van over de hele wereld. Als de overheid de vooraanstaande en volwaardige positie van haar toekomstige wetenschappers wil behouden, dan is het niet verstandig het huidige systeem te ondergraven.

Maar het is alleen een experiment!

De VSNU, de vereniging van universiteiten, is al jaren aan het lobbyen voor invoering van het bursalenstelsel (zie ook dit artikel). Dit is geen experiment. Wat wordt er precies onderzocht? Nergens wordt gedegen beschreven hoe het experiment uitgevoerd zal worden, welke aspecten men zal bestuderen of hoe de resultaten geïnterpreteerd zullen worden. Buiten de kostenbesparing die het stelsel de universiteiten en de overheid zal opleveren, is niemand geïnteresseerd in de uitkomsten.

Wij voorzien echter een drietal negatieve gevolgen. Ten eerste: als promovendi goedkoper worden voor de universiteit, dan zullen er meer promovendi aangesteld worden per begeleider. Hierdoor zal de kwaliteit van begeleiding dalen, waar de output en toekomstige mogelijkheden van de promovendus onder lijden.

In de tweede plaats zal het contrast tussen de omstandigheden van promovendi en die van leeftijdsgenoten stijgen. Afgestudeerden met een master titel draaien volwaardig (dus niet als student) mee in het bedrijfsleven, waardoor hun carrièremogelijkheden groeien. Waar in het Angelsaksische systeem een PhD de baankansen vergroot, is een PhD in de Nederlandse niet-academische wereld eerder een minpunt. Als promovendi ook nog rechten op bijvoorbeeld doorbetaald ouderschapsverlof -relevant in deze levensfase – , pensioenopbouw en wachtgelduitkering moeten missen, zal wetenschappelijk talent een lucratieve baan elders prefereren.

Tenslotte creëert het binnen de universiteiten een gevoel van onrechtvaardigheid onder de promovendi . Zij doen hetzelfde werk, maar tegen verschillende vergoedingen, en met een verschillend niveau van wetenschappelijk aanzien. Hierdoor worden extra verwachtingen gecreëerd voor mensen met een arbeidscontract, terwijl promovendi met een beurs ongeacht hun werkelijke niveau als tweederangs gezien zullen worden.

Waarom heeft de overheid die nadelen zelf niet gezien?

Een stelsel met studentpromovendi is binnen het Angelsaksische opleidingssysteem gebruikelijk. Dat wil echter niet zeggen dat het automatisch leidt tot een hoog wetenschappelijk niveau. In Nederland breekt het bursalenstelsel de waarden af die ons sterk maken. Als de overheid in de top vijf van kennislanden wil blijven en wetenschappelijk talent, met name in de bètawetenschappen, wil behouden, dan is invoering van het bursalenstelsel niet het juiste antwoord. Dit was ook de conclusie van de Raad van State in November 2012, in een advies over de plannen.

Het welzijn van de universiteit is een zorg van alle promovendi. We willen dat de universitaire bul niet aan waarde verliest. We willen dat de volgende generatie met enthousiaste ambitie en in gezonde arbeidsomstandigheden aan de slag kan.

Wat kan ik doen?

Ten eerste, teken de petitie! Vertel je vrienden, collega’s, studenten, en begeleiders hier over. Lees over de achtergronden van het experiment, en over onze bezwaren, op deze website. Deel de link naar de petitie via mail, facebook en twitter. Deel de berichten die de Leidse promovendipartij PhDoc op haar facebook-pagina plaatst over de petitie. Als je meer informatie wilt, zijn wij te bereiken via promotiestudent@yahoo.com.

Beknopte geschiedenis van het bursalenstelsel

Het leek er even op dat de bursaal uit beeld was, maar sinds de uitspraak van het Hof in Leeuwarden dat beurspromovendi geen werknemers zouden zijn rommelt het weer flink in promovendiland. In januari besloot het ministerie van OCW nog het bursalenstelsel niet op te nemen in de nieuwe onderwijswet ‘Kwaliteit in Verscheidenheid’, na een negatief advies van de Raad van State. Minister Bussemaker besloot echter wel een achterdeurtje open te zetten in de vorm van een ‘experiment’. Dat experiment moet duidelijk maken wat de haken en ogen van het stelsel zijn. Veel van die haken en ogen zijn echter allang bekend: sommige ervan waren ooit de reden dat het AIO-stelsel ingevoerd werd, anderen kwamen naar voren in een serie rechtszaken die recent over de kwestie gevoerd zijn. In deze blog een korte geschiedenis.

1986: Invoering AIO-stelsel

Het bursalenstelsel verscheen op het Nederlandse toneel in de jaren tachtig van de vorige eeuw, toen universiteiten ontevreden waren over het bestaande promotiestelsel. Het aantal promoties was te laag en vooral binnen de alfa- en gammawetenschappen werd de promotie gekenmerkt door een hoge mate van individualisme en vrijblijvendheid. In de bètawetenschappen hadden promovendi meestal een betaalde baan als promotie-assistent, maar in de alfa- en gammawetenschappen werden ze vaak niet betaald. In 1986 wordt het assistenten-in-opleiding–stelsel (AIO-stelsel) ingevoerd. Centraal daarin staat dat AIO’s universitaire werknemers zijn, met wie door middel van het werknemerschap afspraken worden gemaakt wat betreft hun onderzoeksoutput. Voordeel van dit stelsel voor de universiteiten is uiteraard dat zij meer grip krijgen op hun promovendi, zodat die niet meer eindeloos over hun promotie doen. Voordelen van werknemerschap voor promovendi zijn onder andere dat ze verzekerd zijn tegen arbeidsongeschiktheid, recht hebben op zwangerschapsverlof en een werkloosheidsuitkering (WW-uitkering), een vakantie- en eindejaarsuitkering krijgen, een pensioen opbouwen en arbeidsrechtelijk beschermd worden via de CAO Nederlandse Universiteiten.

De invoering van het AIO-stelsel betekent echter niet dat Nederland geen bursalen kent. Er is op het moment een aanzienlijk aantal promovendi aan Nederlandse universiteiten werkzaam die geen werknemer zijn: promovendi die vooral van buiten de EU komen en een beurs ontvangen vanuit hun land van herkomst. Dit is mogelijk doordat deze promovendi niet door een Nederlandse universiteit betaald worden, en dus niet beschermd worden door de CAO Nederlandse Universiteiten.

1995: UvA-bursalen spannen rechtszaak aan

Sinds enkele jaren lobbyen de Nederlandse universiteiten flink om te zorgen dat ze ook zelf promovendi als een bursaal of promotiestudent aan kunnen stellen. Groot voordeel daarvan is dat een bursaal maar de helft kost van een AIO, onder meer omdat er voor hen geen sociale premies en wachtgeld betaald hoeft te worden. De UvA begint in 1995 al met het aanstellen van bursalen. Bijgestaan door de vakbond Abvakabo stapt een aantal van deze bursalen naar de kantonrechter, om te bewijzen dat hun overeenkomst met de universiteit wel degelijk beschouwd moet worden als een arbeidsovereenkomst. In eerste instantie oordeelt de kantonrechter echter dat er geen sprake is van “arbeid” in de zin van art. 7:610 van het Burgerlijk Wetboek.

2006: Hoge Raad geeft UvA-bursalen gelijk

In 1999 gaan de UvA-bursalen in hoger beroep tegen de uitspraak van de kantonrechter, en de rechtbank oordeelt deze keer in hun voordeel: er is wel degelijk sprake van arbeid. De Uva (op dat moment geleid door collegevoorzitter Sijbolt Noorda) besluit daarop de kwestie voor te leggen aan de Hoge Raad, maar de Hoge Raad bevestigt het vonnis. ‘Beurspromovendi hebben zich jegens de UvA verbonden tot het verrichten van een prestatie die daarin bestaat dat zij wetenschappelijk onderzoek doen met het oog op het publiceren van een dissertatie. Door het verrichten van onderzoek draagt de beurspromovendi, anders dan een eerste fase student, actief bij aan de verwezenlijking van het primaire doel van de UvA. Zo bezien zijn de activiteiten productieve activiteiten ten behoeve van de UvA.’ Abvakabo reageert verheugd: ‘Het bursaalsysteem is asociaal en onverantwoord. Het gaat hier om een ordinaire bezuinigingsmaatregel. Gelukkig is er door deze uitspraak herstel mogelijk van de secundaire arbeidsvoorwaarden.’

2009: RUG-bursalen spannen rechtszaak aan

In 2009 spant de vakbond Abvakabo FNV namens 13 Groningse promovendi een rechtszaak aan tegen de RijksUniversiteit Groningen. Inzet: de promovendi willen hun ‘opleidingsovereenkomst’ als arbeidsovereenkomst laten erkennen. Zij ontvangen op dat moment een beurs die netto ongeveer overeenkomst met wat een AIO netto ontvangt, maar de Belastingdienst ziet deze beurs gewoon als inkomen, met alle gevolgen van dien. De kantonrechter stelt de promovendi in het gelijk, met het argument dat er een gezagsverhouding tussen promotor en promovendus bestaat, en vanwege het feit dat het collegegeld dat zij de RUG als student verschuldigd zijn wordt kwijtgescholden, waardoor ze de facto geen collegegeld hoeven te betalen. In hoger beroep wint de RUG echter: het Hof van Leeuwarden oordeelt in april 2013 dat bursalen geen werknemers zijn. Abvakabo FNV overweegt de zaak aan de Hoge Raad voor te leggen.

2011: OCW wil bursalenstelsel invoeren

Intussen komt het bursalenstelsel ineens gevaarlijk dichterbij, mede dankzij het lobbywerk van inmiddels VSNU-voorzitter Sijbolt Noorda (die in maart 2011 de Hosni Mubarak Award voor Goed Bestuur krijgt toegekend van een groep promovendi). Najaar 2011 wil staatssecretaris van OCW Halbe Zijlstra (VVD) het wettelijk mogelijk maken promovendi een beurs te geven in plaats van hen aan te stellen als AIO. Daarmee zouden promovendi effectief de status, het inkomen (ongeveer €800,- per maand) en de noodzaak tot bijverdienen van een student krijgen. Het plan leidt tot een storm van protest van promovendi, die een website (promovendus.org, inmiddels niet meer beschikbaar), een facebook-groep (‘Promovendi leveren volwaardig werk!’) en een petitie startten om hun ongenoegen kenbaar te maken. Abvakabo FNV stuurt een brandbrief naar de Tweede Kamer, en ook de vakbond CNV waarschuwt voor de gevolgen van invoering. De universiteiten reageren verschillend: Maastricht, Groningen en Amsterdam juichen het plan toe, terwijl Nijmegen, Wageningen en Twente terughoudend zijn.

2012: Raad van State raadt bursalenstelsel af

Eind 2012 geeft de Raad van State echter een negatief advies op dit plan. Het is voldoende om het Ministerie van OCW (inmiddels geleid door Jet Bussemaker) ervan te overtuigen het bursalenstelsel uit de nieuwe onderwijswet ‘Kwaliteit in Verscheidenheid’ te schrappen. In een reactie op de kanttekeningen van de Raad van State geeft Bussemaker echter wel aan op beperkte schaal te willen ‘experimenteren’ met promotiestudenten. Uit een dergelijk experiment moet blijken wat de risico’s van het bursalenstelsel zijn, hoe de twee typen promovendi zich tot elkaar verhouden, en wat de impact van het stelsel is op het aantal promovendi.

Vanaf 2013: Een ‘experiment promotiestudent’

Na het vonnis van de rechtbank in Leeuwarden (april 2013) in het hoger beroep van de Groningse casus zet Bussemaker de experimenteerplannen voortvarend door: in mei 2013 worden de Nederlandse universiteiten gevraagd of zij deel willen nemen aan een dergelijk experiment, en hoe zij dat zouden willen inkleden. Op basis van de voorstellen die ingediend zijn wordt op dit moment gewerkt aan een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB).

Raad van State: “Niet doen, die promotiestudent!”

In november 2012 schreef de Raad van State een vernietigende reactie op de plannen van OCW om het bursalenstelsel in te voeren. In het licht van het huidige geflirt met een ‘experiment promotiestudent’ hebben we het advies maar weer eens opgediept, en teruggebracht tot een serie hapklare brokken. In een notedop zeggen ze dit:

Er moeten meer promovendi komen.

‘De commissie Veerman heeft geadviseerd het aantal promovendi te verhogen, vooral in de natuurwetenschappen en technische vakken. Opgemerkt is dat er veel promovendi uit het buitenland komen, terwijl het aantal Nederlandse bètapromovendi ver achterblijft. Ook lekt veel kennis weg. Mensen promoveren maar vertrekken weer uit Nederland.’

Jullie stellen de promotiestudent voor als oplossing…

‘Het voorgestelde artikel 7.18a van de WHW bevat een regeling voor het promotieonderwijs. Het onderwijs aan promotiestudenten is enerzijds gericht op een wetenschappelijke carrière, maar bevat ook vakken die de student voorbereiden op een carrière buiten de wetenschap. Deze studenten zijn geen werknemers en daarmee goedkoper dan de huidige werknemers-promovendi, onder meer omdat de instelling geen sociale premies of wachtgeld hoeft te betalen. Promotiestudenten zijn ook het basistarief aan collegegeld verschuldigd. De instelling kan het collegegeld kwijtschelden.’

… maar die gaat dan waarschijnlijk de AIO verdringen …

‘Invoering van dit promotietraject brengt wel het grote risico met zich dat besturen van universiteiten in de huidige economische situatie op grote schaal trajecten voor werknemers-promovendi gaan vervangen door de goedkopere trajecten voor promotiestudenten.’

… en daarmee wordt promoveren een stuk minder aantrekkelijk.

‘Het risico bestaat dat promoveren in Nederland als gevolg van het voorstel een deel van zijn aantrekkelijkheid verliest. Omdat de schaarste groot is aan Nederlandse afgestudeerden die willen en kunnen promoveren in de natuurwetenschappelijke en technische vakken, is het van groot belang dat promoveren in Nederland zijn aantrekkelijkheid behoudt.’

Terwijl het huidige AIO-stelsel uitstekend werkt!

‘Door de invoering van het aio-stelsel is het aantal onderzoekpublicaties in Nederland met sprongen omhoog gegaan, zodanig dat Nederland nu op publicatie van wetenschappelijke artikelen tot de wereldtop is gaan behoren. Het aantal promoties is over de gehele linie sinds de invoering van het aio-stelsel sterk gestegen, hetgeen ten goede is gekomen aan de algehele verhoging van wetenschappelijke publicaties in het wetenschappelijk onderzoek.’

Bovendien: waar ga je docenten vandaan halen zonder AIO’s?

‘De Afdeling wijst er nog op dat een groot deel van het onderwijs aan bachelorstudenten, waaronder de practica in de natuur- en scheikunde en in de biomedische wetenschappen, thans wordt verzorgd door werknemers-promovendi. Indien deze op grote schaal door promotiestudenten vervangen worden, moeten de instellingen alsnog nieuwe docenten aantrekken voor het verzorgen van deze practica.’

Maar vooral: hiermee stoot je wetenschappelijk talent juist af!

‘Het risico van het verdwijnen van werknemers-promovendi staat op gespannen voet met de uitgangspunten van de Commissie Veerman en met de doelstellingen van het huidige voorstel, namelijk het streven om tot de top 5 van de kennislanden te gaan behoren. Naar het oordeel van de Afdeling dient bij het op grote schaal invoeren van het traject van promotiestudent in het licht van het voorgaande rekening gehouden te worden met een kwaliteitsdaling in plaats van met de gestelde kwaliteitsverhoging. Invoering van de promotiestudent heeft tot gevolg dat nog meer getalenteerde studenten voor een andere loopbaan kiezen. In zo’n situatie kan invoering van de promotiestudent op termijn juist tot minder promoties leiden.’

Eindoordeel: niet doen!

‘Naar het oordeel van de Afdeling kan de invoering van het traject van promotiestudent op korte termijn financieel voordelig zijn voor instellingen en de samenleving, omdat zo in een moeilijke economische periode het aantal promotieplaatsen zonder veel kosten verhoogd kan worden. Op lange termijn heeft het op grote schaal invoeren van dit traject evenwel grote risico’s voor de kwaliteit van het Nederlandse wetenschappelijk onderzoek. In dit geval geldt volgens de Afdeling dat goedkoop duurkoop is. De Afdeling adviseert de invoering van de promotiestudent te heroverwegen.’

Straks krijgen we nog tweederangs promovendi…

‘De toelichting zwijgt over de toekomstige verhouding tussen promotiestudententrajecten en werknemers-promovendi. Werknemers-promovendi mogen wel onderwijs geven, hetgeen in de regel hun loopbaan bevordert, terwijl promotiestudenten die nagenoeg hetzelfde promotietraject volgen, hoofdzakelijk onderwijs volgen in onderwerpen die niet met hun onderzoek te maken hebben, en die ze vaak al eerder in de opleiding hebben gehad. Het is niet onaannemelijk dat er in de praktijk een kwaliteitsverschil ontstaat tussen studenten in de verschillende promotietrajecten. Instellingen die briljante studenten aan zich willen binden, zullen hen een plaats als werknemer-promovendus aanbieden en iets minder briljante studenten in het traject van promotiestudent plaatsen. Ongewild zou er een onderscheid ontstaan tussen eersterangs en tweederangs promotietrajecten.’