Beknopte geschiedenis van het bursalenstelsel

Het leek er even op dat de bursaal uit beeld was, maar sinds de uitspraak van het Hof in Leeuwarden dat beurspromovendi geen werknemers zouden zijn rommelt het weer flink in promovendiland. In januari besloot het ministerie van OCW nog het bursalenstelsel niet op te nemen in de nieuwe onderwijswet ‘Kwaliteit in Verscheidenheid’, na een negatief advies van de Raad van State. Minister Bussemaker besloot echter wel een achterdeurtje open te zetten in de vorm van een ‘experiment’. Dat experiment moet duidelijk maken wat de haken en ogen van het stelsel zijn. Veel van die haken en ogen zijn echter allang bekend: sommige ervan waren ooit de reden dat het AIO-stelsel ingevoerd werd, anderen kwamen naar voren in een serie rechtszaken die recent over de kwestie gevoerd zijn. In deze blog een korte geschiedenis.

1986: Invoering AIO-stelsel

Het bursalenstelsel verscheen op het Nederlandse toneel in de jaren tachtig van de vorige eeuw, toen universiteiten ontevreden waren over het bestaande promotiestelsel. Het aantal promoties was te laag en vooral binnen de alfa- en gammawetenschappen werd de promotie gekenmerkt door een hoge mate van individualisme en vrijblijvendheid. In de bètawetenschappen hadden promovendi meestal een betaalde baan als promotie-assistent, maar in de alfa- en gammawetenschappen werden ze vaak niet betaald. In 1986 wordt het assistenten-in-opleiding–stelsel (AIO-stelsel) ingevoerd. Centraal daarin staat dat AIO’s universitaire werknemers zijn, met wie door middel van het werknemerschap afspraken worden gemaakt wat betreft hun onderzoeksoutput. Voordeel van dit stelsel voor de universiteiten is uiteraard dat zij meer grip krijgen op hun promovendi, zodat die niet meer eindeloos over hun promotie doen. Voordelen van werknemerschap voor promovendi zijn onder andere dat ze verzekerd zijn tegen arbeidsongeschiktheid, recht hebben op zwangerschapsverlof en een werkloosheidsuitkering (WW-uitkering), een vakantie- en eindejaarsuitkering krijgen, een pensioen opbouwen en arbeidsrechtelijk beschermd worden via de CAO Nederlandse Universiteiten.

De invoering van het AIO-stelsel betekent echter niet dat Nederland geen bursalen kent. Er is op het moment een aanzienlijk aantal promovendi aan Nederlandse universiteiten werkzaam die geen werknemer zijn: promovendi die vooral van buiten de EU komen en een beurs ontvangen vanuit hun land van herkomst. Dit is mogelijk doordat deze promovendi niet door een Nederlandse universiteit betaald worden, en dus niet beschermd worden door de CAO Nederlandse Universiteiten.

1995: UvA-bursalen spannen rechtszaak aan

Sinds enkele jaren lobbyen de Nederlandse universiteiten flink om te zorgen dat ze ook zelf promovendi als een bursaal of promotiestudent aan kunnen stellen. Groot voordeel daarvan is dat een bursaal maar de helft kost van een AIO, onder meer omdat er voor hen geen sociale premies en wachtgeld betaald hoeft te worden. De UvA begint in 1995 al met het aanstellen van bursalen. Bijgestaan door de vakbond Abvakabo stapt een aantal van deze bursalen naar de kantonrechter, om te bewijzen dat hun overeenkomst met de universiteit wel degelijk beschouwd moet worden als een arbeidsovereenkomst. In eerste instantie oordeelt de kantonrechter echter dat er geen sprake is van “arbeid” in de zin van art. 7:610 van het Burgerlijk Wetboek.

2006: Hoge Raad geeft UvA-bursalen gelijk

In 1999 gaan de UvA-bursalen in hoger beroep tegen de uitspraak van de kantonrechter, en de rechtbank oordeelt deze keer in hun voordeel: er is wel degelijk sprake van arbeid. De Uva (op dat moment geleid door collegevoorzitter Sijbolt Noorda) besluit daarop de kwestie voor te leggen aan de Hoge Raad, maar de Hoge Raad bevestigt het vonnis. ‘Beurspromovendi hebben zich jegens de UvA verbonden tot het verrichten van een prestatie die daarin bestaat dat zij wetenschappelijk onderzoek doen met het oog op het publiceren van een dissertatie. Door het verrichten van onderzoek draagt de beurspromovendi, anders dan een eerste fase student, actief bij aan de verwezenlijking van het primaire doel van de UvA. Zo bezien zijn de activiteiten productieve activiteiten ten behoeve van de UvA.’ Abvakabo reageert verheugd: ‘Het bursaalsysteem is asociaal en onverantwoord. Het gaat hier om een ordinaire bezuinigingsmaatregel. Gelukkig is er door deze uitspraak herstel mogelijk van de secundaire arbeidsvoorwaarden.’

2009: RUG-bursalen spannen rechtszaak aan

In 2009 spant de vakbond Abvakabo FNV namens 13 Groningse promovendi een rechtszaak aan tegen de RijksUniversiteit Groningen. Inzet: de promovendi willen hun ‘opleidingsovereenkomst’ als arbeidsovereenkomst laten erkennen. Zij ontvangen op dat moment een beurs die netto ongeveer overeenkomst met wat een AIO netto ontvangt, maar de Belastingdienst ziet deze beurs gewoon als inkomen, met alle gevolgen van dien. De kantonrechter stelt de promovendi in het gelijk, met het argument dat er een gezagsverhouding tussen promotor en promovendus bestaat, en vanwege het feit dat het collegegeld dat zij de RUG als student verschuldigd zijn wordt kwijtgescholden, waardoor ze de facto geen collegegeld hoeven te betalen. In hoger beroep wint de RUG echter: het Hof van Leeuwarden oordeelt in april 2013 dat bursalen geen werknemers zijn. Abvakabo FNV overweegt de zaak aan de Hoge Raad voor te leggen.

2011: OCW wil bursalenstelsel invoeren

Intussen komt het bursalenstelsel ineens gevaarlijk dichterbij, mede dankzij het lobbywerk van inmiddels VSNU-voorzitter Sijbolt Noorda (die in maart 2011 de Hosni Mubarak Award voor Goed Bestuur krijgt toegekend van een groep promovendi). Najaar 2011 wil staatssecretaris van OCW Halbe Zijlstra (VVD) het wettelijk mogelijk maken promovendi een beurs te geven in plaats van hen aan te stellen als AIO. Daarmee zouden promovendi effectief de status, het inkomen (ongeveer €800,- per maand) en de noodzaak tot bijverdienen van een student krijgen. Het plan leidt tot een storm van protest van promovendi, die een website (promovendus.org, inmiddels niet meer beschikbaar), een facebook-groep (‘Promovendi leveren volwaardig werk!’) en een petitie startten om hun ongenoegen kenbaar te maken. Abvakabo FNV stuurt een brandbrief naar de Tweede Kamer, en ook de vakbond CNV waarschuwt voor de gevolgen van invoering. De universiteiten reageren verschillend: Maastricht, Groningen en Amsterdam juichen het plan toe, terwijl Nijmegen, Wageningen en Twente terughoudend zijn.

2012: Raad van State raadt bursalenstelsel af

Eind 2012 geeft de Raad van State echter een negatief advies op dit plan. Het is voldoende om het Ministerie van OCW (inmiddels geleid door Jet Bussemaker) ervan te overtuigen het bursalenstelsel uit de nieuwe onderwijswet ‘Kwaliteit in Verscheidenheid’ te schrappen. In een reactie op de kanttekeningen van de Raad van State geeft Bussemaker echter wel aan op beperkte schaal te willen ‘experimenteren’ met promotiestudenten. Uit een dergelijk experiment moet blijken wat de risico’s van het bursalenstelsel zijn, hoe de twee typen promovendi zich tot elkaar verhouden, en wat de impact van het stelsel is op het aantal promovendi.

Vanaf 2013: Een ‘experiment promotiestudent’

Na het vonnis van de rechtbank in Leeuwarden (april 2013) in het hoger beroep van de Groningse casus zet Bussemaker de experimenteerplannen voortvarend door: in mei 2013 worden de Nederlandse universiteiten gevraagd of zij deel willen nemen aan een dergelijk experiment, en hoe zij dat zouden willen inkleden. Op basis van de voorstellen die ingediend zijn wordt op dit moment gewerkt aan een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB).

About these ads

One thought on “Beknopte geschiedenis van het bursalenstelsel

  1. Pingback: promotiestudent NEE

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s